Hoor mij aan! Hoor dit verhaal! Dit memwaar, deze prachtige sjaal, gevonden hier aan de voet van deze oude boom bevat een schitterend verhaal. Ik zal het leven in blazen als ware het een herinnering van  de dag van gister. Het fijne naaldwerk spreekt tot mij, de felle kleuren inspireren mij en ik voel de bezieling in mij opborrelen! Oké, zitten jullie er klaar voor? Komt ie dan!  

Ik reisde door het Duister. En om het nog minder fijn te maken dan het Duister al is, reisde ik daar met een groep Splitse soldaten! Ach, ik wilde toch echt eens naar de andere kant reizen, en dit kwam op mijn pad. Dit moest wel een goed verhaal worden.

Maar eerst begon de nachtmerrie. Het Duister is als niets gelijkend op de nacht. De nacht is lieflijk duister. De maan, hoewel soms lui, schijnt met een stil verhelderend licht. In de verte klinkt hier en daar een nachtgeluid. Je ogen willen dichtvallen en je weet zeker dat je goed gaat dromen.

In het Duister is geen Maan. De maan zelf is vermoord. Je loopt over de scherpe brokstukken van wat ooit de Maan was! Arme Maan, wat heeft de Maan het Duister ooit aangedaan om zo vermorzeld te worden? De paar bomen die er nog staan zijn zelfs door het Hout zelf verlaten. Het is stil in het Duister, een stilte die zuigt aan je ziel zelf!

Ik kon die stilte wel wegzingen, maar een norse (zijn er andere?) Splitter sprak: “wat doe je daar, ons betoveren? We voeren je aan het Duister!” Dreigend kwam hij op me af en gooide me ruw op de grond. Mijn hoofd bonste tegen zo’n steen van de Maan. De wereld draaide. De Splitter liep op mij af en had zijn zwaard al getrokken, en dat om een opbeurend liedje! Ach, in gedachten was ik al op weg terug naar Fort. Maar toen..

werd het Duister van duister grijs, duister zwart. Hoongelach als van geen mens, enger dan 100 Splitse bloedhonden, iets waar, beste luisteraar, zelfs de Prie geen vat op heeft…

Voordat de Splitter mij op terugreis kon sturen werd de Splitter voor mij plots overvallen door Duisterwezens. “Bedankt, prie,” riep ik, maar hou je wel rekening dat Duisterwezens ook niet zo gezond zijn voor ons Zjanfor? 

Elk Duisterwezen torende minstens twee koppen boven de Splitter uit, met handen met duistere zwaarden elk zo lang als een mens. En wat deed ik? Ik sloeg een van de Duisterwezens op zijn kop zodat de Splitter kon ontsnappen! Arme ik, maar echt dat Splitje piepte dan ook als een klein kind, wat moest ik anders?

Nu kwam een Duisterwezen op mij af. Van het hele Splitse leger stond alleen ik nog op het veld. Ik deinsde achteruit tot ik met mijn rug tegen een eenzame boom stond. Met mijn laatste blik zag ik een jong groen blad aan een van de takken: ach dacht ik nog: zo’n pril begin, komt er dan ooit een einde aan het Duister?

Een onuitdrukbare pijn vlijmde door mijn hele lichaam toen een van de Duisterwezens met zijn wapen uithaalde. Hier is het litteken dat het achterliet. Voor de tweede keer dacht ik aan mijn laatste reis naar Fort te beginnen…

Mijn ogen gingen open en ik verwachtte volledig de andere kant van de Poort te zien. Maar in plaats daarvan zag ik nog steeds dat eenzame prille blad. Het leek te wiegen op een briesje. De eenzame boom had het Duisterzwaard opgevangen dat voor mij bedoeld was. En nu leek de boom te transformeren.

De takken werden handen. De kruin werd haren. De wortels benen. De knoesten ogen die mij rustig opnamen en mijn gestalte in zich opnamen. De boom was een Houtling, een nimf uit het Hout die zich had getransformeerd als boom, maar speciaal voor mij de aardse rust van het boom-zijn verliet.

‘Lig stil,’ sprak de Hout-nimf, ‘Ik voel je pijn. Ik zal je helpen genezen.’ Zekere handen, teder maar ruw als schors verzorgden mijn wond. Vreemde geuren bereikten mijn neus van Houtling zalven en oude Houtling magie. Waar de Hout-nimf naast mij neer knielde, bloeide warempel een enkele bloem op.

Onthutst was ik toen de Houtling aanstalte maken om deze bloem te plukken. ‘Wat doe je nu!’ riep ik schor en kermend, ‘deze bloem is het mooiste in heel het Duister!’

‘ Deze bloem is het enige wat jouw leven kan redden.’ Sprak de Houtling. ‘Het Hout kan zonder deze bloem, deze zal teruggroeien, maar jij kan niet zonder.’ Hier kon ik niets tegen inbrengen, ik was immers nog niet klaar voor mijn terugreis, en met een Hout-nimf valt niet te twisten, zoals je weet.

Mijn ogen vielen dicht en ik droomde dat ik in het Hout was. Dikke sterke bomen torende over mij heen. Ik werd omringt door wilde dieren die mij bewaakten. De Zon schitterde fel op een groot meer en verwarmde mij tot diep in de botten.

Ruw werd ik wakker geschopt. ‘Wakker worden bloed-gespuis!’

Het was dezelfde Splitter van eerst die mij had gewekt door met zijn laars tegen mijn zij te schoppen. ‘Ik zou je beter uit de weg ruimen voordat je nog meer Duisterwezens op ons afroept, maar ik ben niet ondankbaar: je hebt mijn leven gered, en je hebt meer moed laten zien dan sommigen die het toernooi hebben doorstaan, dus claim ik alleen het geld dat je bij je had.’

Langzaam werkte ik mezelf omhoog. De boom stond er roerloos bij. Het eenzame blad was verdwenen, weer verlaten door het Hout. Van de Houtling geen spoor. ‘Bedankt’ zei ik nog maar voor de zekerheid, en ‘ tot ziens’. En na een moment van stilte zei ik: ‘ En ik zal geen bloemen meer plukken als dit niet iemand helpt.’ ‘Alleen om iemand vrolijk te maken bijvoorbeeld. Of te troosten.’

‘Ik moest maar teruggaan’ zei ik tegen de Splitter. ‘Ik heb immers geen haast om aan de andere kant te komen.’ 

‘Dat is je geraden’ zei de Splitter, ‘hier ben je niet meer welkom.’

‘Jullie ook niet, geloof ik’, zei ik.

‘Rot op, of het zal je bezuren, bloedgespuis,’ was het antwoord.

De boom bleef stil.

Nog een keer keek ik achterom terwijl het Duister mij weer omhulde in een stille eenzaamheid. Helaas, van de Houtling geen spoor.

‘Dit is het verhaal van deze sjaal! Wie wil de maker eren met een eigen versie?’

Fizas Taliman Ozzugah Killi Natourez Dedes Franor Dedes Deforeh (afgekort) in een willekeurige kroeg