Het is een stilte voor de storm. Het moment dat alle bedden klaar staan, strak opgemaakt in wit linnen. Verband ligt strak opgerold, gazen opgestapeld, donkere flessen wilgentinctuur, alcohol, quinine. Bladen met glimmende messen, naald en draad, tourniquets liggen te wachten op bloed. Wachten op de schreeuwende, huilende en stille lichamen, stukgehakt, stukgeslagen. 

En dan mag ik van start. Zoals een kat zich opwindt vlak voor hij zijn prooi bespringt, wind ik me op om te gaan zodra de storm breekt en de dragers aan komen rennen met kermende slachtoffers. In die chaos ben ik in mijn element, tussen de bakken bebloed band, de spasmende ledematen en geur van brandend vlees. Ik ben meester van dit domein en niemand excelleert hier zo goed als ik. 

In dit duister werken we bij kaarslicht. Soldaten komen terug met verwrongen wonden, maar niets wat ik niet aankan. Ze vechten vies. We hebben de tijd niet meer om voor te bereiden; we zijn constant op reis; de genezer van Tweede Rang is zijn plan kwijt. Dus wordt het mijn plan, mijn kans. Mijn scepter zal zwaaien, ik zal het leger op de been houden, de gewonden helen. Deze vervloekte vijand zal niet weten wat ze zal overkomen. Deze chaos wordt mijn overwinning. 

Dan keer ik terug, in wit en goud gehuld, onderdeel van de Tweede Rang, ongeëvenaard in de Geneeskracht. Ik zie de parade al voor me. Alles wil dit voor mij, het is mij ontnomen, ik heb het gezien!

Maar nu eerst deze klus klaren. Er staan al een paar trillend en onzeker voor de deur die advies en aanwijzing nodig hebben, van mij. 

Ayiis, een geneeskundige van de vijfde